Home > Beeldbank > Algemene info > Zeis

Zeis


Algemene Beschrijving

De zeis duikt in onze contreien in de vroege Middeleeuwen op, in eerste instantie alleen om gras te maaien voor het hooi, gaandeweg ook om graan te oogsten. Het is echter pas tegen het einde van de 18e eeuw dat zij voorgoed de minder efficiënte, maar heel wat lichter te hanteren en goedkopere sikkel vervangt.
De zeis wordt in beide handen gehouden waarna met een zwaaiende beweging vanuit de heup het graan wordt afgesneden. Het werktuig snijdt dus door wrijving, in tegenstelling tot de pik waarmee men kapt. Maaien met de zeis was zwaar werk, zwaarder dan met de pik, en dus alleen voor mannen bestemd. Bovendien was bij de zeis één werkkracht meer nodig aangezien de maaier alleen maar maaide en niet zoals bij het pikken ook schoven klaarlegde. Het grote voordeel van de zeis was dan weer de relatieve snelheid waarmee een veld kon worden gemaaid: drie keer zo snel als met de sikkel en bijna dubbel zo vlug als met de pik. Een goede maaier leverde bovendien net werk af, hoewel met de pik met minder handigheid hetzelfde resultaat kon worden behaald.
Het maaien met de zeis gebeurt ofwel binnenwaarts ofwel buitenwaarts. In het eerste geval heeft de rechtshandige maaier het te maaien graanveld aan zijn linkerzijde. Met een maaibeweging van rechts naar links vallen de afgemaaide halmen tegen het nog rechtstaande graan en worden door een zwadenlegster, voorzien van een sikkel of een pikhaak, verzameld tot schoven. In dit geval is de zeis voorzien van één of twee kleine beugels om het afgemaaide graan gemakkelijker mee te nemen. Vooral eerder hoog opgeschoten graan zoals rogge, tarwe en sommige haversoorten kwam hiervoor in aanmerking. Binnenwaarts maaien had tot voordeel dat het graan dan gemakkelijker tot schoven te binden was. Bij het buitenwaarts maaien bevindt het te maaien veld zich aan de rechterzijde van de rechtshandige maaier. Nu zwaait de zeis uit het veld zodat de afgemaaide halmen dadelijk op het stoppelveld vallen. Een zwadenlegster hoeft de maaier in dit geval niet te volgen. De maaier gebruikt nu een zeis met een groot rijfachtig stel van zeer licht hout met lange tanden waarin het gemaaide graan als het ware wordt gedragen om het dan in zwaden op het stoppelveld te leggen. Eerder laag opgeschoten graan zoals gerst en de meeste haversoorten werden bijna altijd buitenwaarts gemaaid. Het gebeurde ook wanneer het graan te dun stond zodat de afgemaaide halmen er zich niet tegenaan konden vleien. Het nadeel van buitenwaarts maaien was immers dat het gemaaide graan tamelijk ongelijk neerviel en zich bijgevolg moeilijker tot schoven liet binden. Dat was niet alleen nadelig voor het goed doen drogen van het graan, maar had vooral gevolgen voor het dorsen met de machine waarvoor men best zo gelijkvormig mogelijk graanschoven had.

In onze streken werd de zeis in de 19e eeuw, behalve voor gras, vooral voor het maaien van zomergraan gebruikt. Wintergraan werd immers in heel wat regio's traditioneel op bedden gezaaid om een betere waterafvoer te hebben. De pik was hier een handiger maaiinstrument dan de zeis. Wel gebruikte men er ook de zeis voor het zomergraan dat immers niet op bedden werd gezaaid. In de regio's waar men niet op bedden werkte en dan ook nog vooral zomergraan verbouwde, werd alleen de zeis gebruikt. Dat was niet toevallig de vruchtbare landbouwregio van België, gaande van Limburgs Haspengouw, Waals-Brabant tot Henegouwen. Zomergraan zoals gerst was bovendien overwegend korter van halm wat het voordeel bood dat het met de zeis sneller kon worden gemaaid.

In de loop van de 19e eeuw nam het belang van de zeis als maaiwerktuig voor graan af. In de eerste plaats was er natuurlijk de opkomst van de mechanische maaimachines. Na 1850 namen die stelselmatig de plaats van de manuele maaiwerktuigen in, eerst op de grote landbouwbedrijven, kort voor en zeker na de Eerste Wereldoorlog ook op de kleinere boerderijen. Maar daarnaast was het toch ook opvallend dat de pik en de pikhaak de rol van de zeis grotendeels overnamen, dus ook in die regio's waar de pik voordien niet werd gebruikt. Een eenduidige verklaring hiervoor is er niet echt. Het heeft zeker meegespeeld dat met de pik de gemaaide halmen mooier in schoven konden worden verwerkt. En dat had zeker zijn invloed op het dorsen met de sinds 1880 massaal verspreide dorsmachines. Daarvoor was een goed gebonden graanschoof immers noodzakelijk om het werk vlot te laten verlopen en de machines niet te laten blokkeren. Het maaien van het graan met de zeis was rond 1900 alleen nog in bepaalde regio's zoals delen van Limburg of de Ardennen vrij courant en verdween na de Eerste Wereldoorlog bijna helemaal.
|


Technische Beschrijving

Een zeis voor het maaien van graan heeft een licht gebogen metalen blad met een brede rug, eindigend in een punt, met een lengte van 70 tot 100 centimeter. Dat mesblad staat haaks op een lange houten, later ook holle ijzeren steel die in lengte varieert tussen 150 en 200 centimeter. De verbinding tussen beide gebeurt door middel van een ring en een wig of een schroef, zodat de hoek tussen blad en steel gewijzigd kan worden en het blad gemakkelijk kan afgenomen worden om het te haren. De steel kan recht, S-vormig of Y-vormig zijn, zonder handvatten of met één of twee handvatten, die bovendien verstelbaar kunnen zijn. De preciese plaats van de handvatten wordt mee bepaald door de lichaamsgrootte van de maaier. Het juist afstellen van een zeis was dan ook heel belangrijk omdat een goed afgestelde zeis toeliet efficiënter te werken. Het snijblad van de zeis moet bovendien vlijmscherp zijn om goed te maaien. Daarom werd geregeld de snede gewet met een strekel of wetsteen. Op de steel werd soms zelfs een wethout bevestigd. Grovere mankementen als gevolg van het steken in de grond of tegen stenen werden tijdens de rustpauze 's middags of 's avonds met behulp van een haarhamer en een haarspit weggewerkt. Onderaan de steel bevindt zich ofwel een houten of metalen beugel dan wel een rijfachtig houten stel die ervoor moesten zorgen dat de gemaaide halmen beter worden bijeengehouden vooraleer ze op grond vallen.

Referenties

De Meyer, Maurits, 'Sikkel, zichte, zeis en pik', in: Volkskunde, 47 (1946): pp. 145 - 153
David, Johan,'L'outillage manuel de la ferme: essai de terminologie', Centre belge d'histoire rurale, Louvain, 1973: p. 32 - 33
Eloy, Arnold, 'Oud landbouwgereedschap: Nederlandstalig bibliografisch en ikonografisch bronnenmateriaal voor het inventariseren van het landbouwgereedschap in Vlaanderen, periode 1850-1914. Een handleiding', Goff, Gent, 1983: p. 722 - 726
Lindemans, Paul, 'Geschiedenis van de landbouw in België', dl. 2, Genootschap voor geschiedenis en volkskunde, Antwerpen, 1994: p. 57 - 65
Ooghe, Dirk, 'Een goede boer heeft drie oogsten, één op zolder, één op 't veld en één in de kast', in: Het Zonneheem: tijdschrift voor volkskunde en cultuurleven, Zonnebeekse heemvrienden, Zonnebeke, 15, 2, 1986
Ballet, Guy, 'Beschrijvende inventaris van het Van Reepinghens huizeke', in: Gooik, Heemkundige kring van Gooik, Gooik, 15 (1987): pp. 266 - 274
Dujardin, Philippe, Lapauw, Mirjam en Lauwers, Walter, 'Studie landbouwmaterieel in het Kortrijkse', Vzw Van Clé Kinderboerderij, Marke, 1989: p. 33
Van Mol, Jean-Jacques, 'Le paysan et la machine: innovations techniques en agriculture en Belgique aux 19e et 20e siècles', DIRE, Treignes, 1998: p. 152 - 153
Van de Ven, 'De zeis', 1982

Inhoud: Centrum Agrarische Geschiedenis - Ontwerp en realisatie: LIBIS